| abstract | Inleiding
Onder het motto ‘Naar een slagvaardiger bestuursprocesrecht’
is in het wetsvoorstel voor de aanpassing van het bestuursprocesrecht
een tweetal voorzieningen opgenomen
die ertoe kunnen leiden dat de schending van een rechtsnorm
niet tot de vernietiging van het bestreden besluit
leidt. Sterker nog, de rechter kan er zelfs op voorhand vanaf
zien om te onderzoeken of een door de appellant aangeduide
rechtsnorm is geschonden, namelijk wanneer duidelijk
is dat het gaat om een rechtsnorm die niet strekt tot
bescherming van de belangen van degene die zich daarop
beroept. Hier hebben we te maken met het relativiteitsvereiste
dat in art. 8:69a van het wetsvoorstel is neergelegd.
De andere voorziening betreft de aanpassing van art. 6:22
Awb, dat ook thans al de mogelijkheid biedt om geconstateerde
gebreken in een besluit te passeren. In het wetsvoorstel
wordt de op dit moment nog in de bepaling opgenomen
beperking inhoudende dat alleen vormgebreken kunnen
worden gepasseerd, geschrapt. |