| abstract | In het arrest Amsterdam/Geschiere (HR 5 juni 2009, AB 2009/327) beoordeelt de Hoge
Raad de vraag of een gemeente een privaatrechtelijke toestemming voor een standplaats
nog kan weigeren als zij voor het gebruik van standplaats op de locatie al een publiekrechtelijke
toestemming heeft verleend niet via het Windmillcriterium van de onaanvaardbare
doorkruising, maar via het leerstuk van misbuik van bevoegdheid. In dit artikel wordt
ingegaan op de verschillende redeneerwijzen die een rol spelen bij het bepalen van de
verhouding tussen een privaatrechtelijke toestemming en een publiekrechtelijke vergunning
om, mede naar aanleiding van het arrest, enige systematisering in de aanpak van dit
vraagstuk aan te brengen. |