| abstract | Toen Gisbertus Voetius in 1634 op vijfenveertigjarige leeftijd als predikant van Heusden
de aanstelling tot hoogleraar in Utrecht ontving, beschreef hij deze benoeming in een
terugblik op zijn loopbaan als een "inexspectata & subita ad scholasticam functionem
vocatio". Voetius heeft meer dan een halve eeuw een niet geringe invloed uitgeoefend op de
theologische wetenschap en op het kerkelijk leven in de Republiek. Niet voor niets werd
de Utrechtse universiteit door vriend en vijand bestempeld als de 'Academia Voetiana',
terwijl de Leidse hoogleraar Abrabam Heydanus Voetius aanduidde als "ho deina, qui a
pede nomen habet et ubique se ut caput gerit". Zoveel is echter zeker dat Voetius'
aanstelling en werkzaamheid de grondslag hebben gelegd voor de bloei van de Utrechtse
academie, die naast de Leidse en Friese ontstond. Hij heeft diep zijn stempel gedrukt, niet
alleen op de theologische faculteit, maar op de gehele Utrechtse academie. Dat gebeurde
op het moment dat hij het theologisch en algemeen geestelijk klimaat mee had. Maar
reeds tijdens zijn leven en zeker ook daarna keerde het getij. De ontwikkelingen op
theologisch en filosofisch gebied waarvan Voetius terecht de ondermijning van de
gereformeerde orthodoxie vreesde, kregen ook aan de Utrechtse academie hun kans en
schiepen omstandigheden die niet gunstig waren voor een bredere doorwerking van zijn
levenswerk. |